Een oude dame

Ze kijkt met grote ogen
Naar je op
Ze krabt aan haar kin
Haalt haar panty ophoog
En met een verkreukelde hand
Haalt ze een makreel uit een krant

Ik weet niet goed
Hoe ik het zeggen zal
Ik ben dankbaar
Niet veel vergeten

Mijn darmen zijn versleten
Ik heb een cracker gegeten
Met kaas
En een met jam

Ze stift haar mond
Ze wordt zo opgehaald
Van de trap
Met vreemde handen

Haar hond
Kijkt haar achterna
Met natte tong tegen het raam
Ze kijken elkaar aan
En weten dondersgoed
Dat ze allebei hun plas niet op gaan houden

(Geef poot ouwe idioot Geef poot)

Zij is alleen
En haar buik is zacht
Ze heeft tien van dat jong
Grootgebracht

Ik ben geen haar veranderd
Mijn ogen kijken dieper
Ik heb de mensen om mij heen liever
En het waait hier
Iedereen heeft haast

Ze heeft nog
Kleur op haar wangen
Ze kijkt nieuwsgierig
Al is ze moe

De hond brengt haar
de sloffen van haar man
Haar voeten nog warm
En niet vergeten
Haar bord half afgegeten

Mijn darmen zijn versleten
Ik heb een cracker gegeten
Met kaas
En een met jam

Ze wacht
En kijkt
Op een kruk in de keuken

Hollandse aardbeien in hun bak
Grote letters in haar hoofd
Een oortje stuk van haar kopje
In haar droge mond een dropje

Gehaktballen nog in de pan

Zij zit klaar
Met opgestoken haar
Zij
Zij is een prachtige vrouw
Haar nagels gevijld
Haar brief geschreven
Een zoon die belt
Een echo van geduld
Een haastige kus
Licht schuldig verklaard

Haar tanden zitten vandaag niet lekker

Mijn darmen zijn versleten
Ik heb een cracker gegeten
Met kaas
En een met jam

En haar hond likt aan haar tenen
Geeft niks ouwe damesbenen
Hij blaft naar haar
Zij zit
En blijft
Ze verroert geen haar

Leeuww

Zal ik je opvreten?!
Of zal ik je maar laten gaan?
Zal ik je op mijn rug
Koppeltje laten duikelen
En weer rechtop laten staan?

En ik geeuw een vreselijke geeuw
Want ik ben gewoon een vreselijke grote stinkende leeuw
Met altijd een hong'rige maag
Naar een aai
Een aai door mijn harige kraag

Je mag eventjes los
Ik laat je rennen door het bos
En ik er achteraan
Ik wil met je spelen!
Ik wil mijn leven met je delen!

Zal ik je opvreten?!
Of zal ik je maar laten gaan?
Zal ik je laten rennen van de schrik
En ik erachteraan
Om je te vangen
Je te vinden
Het is ik
Die jou rauw lust
Het is ik Het is ik
Die jou stinkend wakker kust
Een lik -een lik-een aai -een lik
Een GGrraaauw
Voor jou

Wees niet bang voor mijn gegrom
'K ben bang
ben bang voor een muisje
In een of ander laatje of achter een fornuisje

Zal ik zal ik Grrrrrrrr
Zal ik nog éen keer iets grommen in je oor
Je tot drie laten tellen
en er gauw met je hart er van door

Jij blijft staan
Ik; Mijn bek vol tanden
Jij kijkt mij aan
Zegt niets
Je duwt mij op de grond
Trekt mij aan mijn staart
In het rond
Mijn God: Ze wil met mij spelen!
Ze wil met me spelen!

Zal ik je opvreten?!
Of zal ik je dragen op mijn rug?
Zodat je niet de hele tijd hoeft te staan
Of zal ik je toch maar laten gaan?

Zal ik je opvreten
Of zal ik je laten rennen
En ik,
Ik er achteraan
En ik,
Ik er achteraan
Blijf nou even staan
Ik erachteraan
GGGRRRaauuww

Rokus
uit "Een poot in de liefde, de ander in de zee"
Zeemannen over de liefde

Ze zei
Jij mag dan gaan
Dit keer ga ik mee
Een zee is groot genoeg voor twee
en thuis is al snel alleen

Ze had gelijk
Ook al was het onmogelijk
Ze pakte haar tassen
en samen liepen we
Hand in hand in tas en tas
naar de kade

Ik voelde haar gloeien van geluk
Ze had me zo gemist
Al die jaren
naar mij uitgekeken
Nu was de maat vol
Zij wilde naar die zee van mij
Kijken wat dat nou was die zee
Ik hield mijn hart vast
Ik zeg niet zoveel
Eenmaal aan boord
Zij is de enige vrouw
De mannen worden gek
Ik wilde even dat ze een vent was
Heel even maar
Ik heb mijn vrouw liever als vrouw

Ze wilde zelf de tassen sjouwen
Ik ben niet kreupel snauwde ze
Ik hoorde dat ze niet wist waar ze aan begonnen was

Oog in oog
Met de mannen stuk voor stuk
onder het vet onder de haren onder de ogen
Naar een vrouwsverschijning aan boord
Mijn vrouw lachte als een vrouw betaamt
Al roerend in vet en vlees en soep met been
Zo lachte ze
Zo hier ben ik dan

De mannen waren met stomheid geslagen
Eentje wilde zijn bekende domme grappen een veeg geven
Maar verbeet zich en zei 'Heu'
De volgende grijnsde zijn vreselijke gebit bloot
En de rest rommelde wat aan touwen
Wisten zij veel

Vrouwenvlees was iets voor thuis
Voor als de rust gekeerd was
Aan boord stonk het
naar ongewassen lijven
Vochtige vertrekken met de smaak in je mond
van rottende ratten
Niet naar eau de cologne en een zachte stem die altijd
aan moeder doet denken
waar iets te pruttelen staat

Fien zei
Let maar niet op mij
Van mij zullen jullie geen last hebben
Ha ha
Nou alleen als ik snurk

Ha ha
Waar is hier de w.c.?

Onrustig werd er gekeken naar elkaar
Er was een gat in een kist in een kast
onder het donderdek met een putje naar buiten

Ik zei kom
En duwde haar naar onze kajuit
Ze snapte steeds beter
dat de zee niet iets is om schoon
tegemoet te komen
Wat ik haar bromde

Fien deed het goed
Heel goed zelfs
Na een paar weken
scholden en viesbakten
de mannen weer zoals voorheen
Wat het grootste compliment is
wat ze krijgen ken

Fien kookte
En deed de was
Tussen de bedrijven door
hield ze praatjes met de mannen
Domweg bakten de jongens
hun hele rotte leven voor haar op
Wat lag te gisten
in het vooronder van hun geweten
wist zij los te weken
Van eelt te ontdoen

Fien dacht daar niet bij na
Die gaf hun een moederlijk duwtje
en zo'n vent kon er weer weken tegen
Een kinderhand is gauw gevuld

Die van Joost nu iets minder
Er gebeurden heel veel ongelukken aan boord
Als je niet tegen bloed kon
was je binnen een dag de pijp uit
Om de dooie donder als dat niet waar is
Fien greep Joost bij zijn arm
Hij schreeuwde het uit
Zij sneed met zo'n roestige vleespikkel
Zijn mouw aan gort
En redde wat er te redden was
Dat waren in dit geval nog drie vingers en een duim
In die tijd was dat heel wat
Ogen voeten vingers
Je moest God op je manke benen bedanken
Als je nog een beetje heelhuids thuiskwam
En voor je vrouw nog wat vlees meebracht om te beminnen

Fien was gelukkig
Ze was bij mij in de buurt
Dat is genoeg voor de liefde
En de nachten zijn stukken minder zwart

Zij, de kleine koekemadamevogel...

Zij
Zij lacht haar tenen
Uit haar sloffen

Ze likt liters
Sloten koffie

Ze stoot dagelijks de dingen om
En trekt ze weer overeind
Haalt weer tevoorschijn
Wat stekeblind was weggerend

Ze borrelt brieven bovenwater
Van vlammend rood
En gele jenever

Ze zegt
Nies naar links
en draaien maar

Ze haalt adem
Als een botervis
Uit een fries klein meertje

Ze wappert met die lange slangenbenen
Om iedere mijlpaal heen

Ze wist niet van tevoren
Wat ze wezen zou
Waar ze wezen wou

Ze lacht haar lendenen bloot
Iedereen is als de dood
Dat zij je fluitend
Uit het onkruid
Draait

En ze kijkt achterstevoren
Het onderste uit je kan

Ze mist geen naam
Geen topje
Of een gele dag in mei

Ze is een schurk van hier naar voren
Ze is een schommeltrein
La ma horen

Ze is een klein stampend gevaarte
Met krullen in haar ogen
Ik moet en zal haar volgen
Het is een briesend bevend
Bibberend van geluk
Koekemadamevogel
Met altijd verse winden
In haar haar

Zie haar lopen
Haar ogen open
Haar mond verbaasd

Ze heeft geen haast
Ze wil zo veel
Zien
En ook geloven
Van rotte tanden tot en met daar boven

Ze is lief
Ze doet dom
Ze wijst haar uilenogen krom

Ze danst je omver omlaag
Ze glijdt je dijen uit de verf
Ze doet wat zij niet laten kan
Duikelen in het vooronder
Lekkende leidingen
Boven wonder
Droog warm
Met uitzicht van binnen

Houden van een grijze olifant
Plakken van een lekke band
Schuimmarcherend

Tot aan de overkant
En weer terug
Over dat rare
knarsetandend zand

terug